|
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
*) Deze gebouwen cq terreinen zijn opengesteld voor het publiek.
|
|
| |
|
|
|
De Sint Nicolaas of Nederlands Hervormde kerk staat op de zuidoosthoek van
de Brug-es. Deze bakstenen, gotische, zaalkerk is gebouwd omstreeks 1410 op
de plaats van een ouder kerkje uit de 12e eeuw. Het schip is éénbeukig en geeft
aan de noordzijde toegang tot een aanbouw, de zogenaamde Sint Maartenskapel.
Vanaf 1410 tot de reformatie (1598) stond hier het altaar van het Sint
Maartenvicarie. De collator was de bezitter van het huis Entinge.
Tussen 1640 en 1669 en van 1725 tot ca. 1777 was de kapel in eigendom van de
heren van Batinge. Sindsdien behoort het toe aan de erfgenamen van de havezate
Oldengaerde. Zij hebben er tevens een eigen herengestoelte, de z.g.
“van Oldengaord’ns baank”. Omdat de kapel enige malen behoorde aan de heren van
Batinge wordt hij in de volksmond ook wel genoemd naar deze havezate.
Drie andere vicariealtaren in de kerk waren gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe (1382),
Het Heilig Kruis en Sint Catharina, waarvan de laatste verbonden was aan de
kosterij. De koster van Dwingeloo was tevens schoolmeester en vanaf 1665 ook
organist.
Het versmalde overwelfde koor eindigt met een driezijde apsis.
In het muurwerk aan de noordelijke buitenzijde bevinden zich nog restanten van
een sacristie. De profiellijsten van de dichtgemetselde toegang waren nog tot
1924 nog aanwezig. Tegenwoordig verraadt alleen de kleur van de nieuwe bakstenen
de plaats van de verdwenen deur. In het koor bevindt zich de grafkelder van het
huis Batinge. Onder het gestoelte in de kapel ligt de begraafplaats van de
familie Van Westerholt tot Entinge.
|
|
|
In 1923 trof een grote brand de kerk, alleen de muren bleven overeind.
De bekende en markante ui-vormige torenspits uit 1631 ging hierbij ook verloren.
Een iets minder ranke kopie kwam ervoor in de plaats en is tegenwoordig het
baken van Dwingeloo. Het interieur bevat o.a. de preekstoel, vervaardigd door
R. Marissen en J. Bakker, een grafzerk uit 1600 van Elisabeth van Echten,
wapenstenen en portretten van het echtpaar Rutger van de Boetzelaer en Batina
van Lohn. Oorspronkelijk waren de portretten gevat in de luiken van een orgel
dat door dit echtpaar aan de kerk in 1665 werd geschonken.
Het tongewelf is
beschilderd in art-deco stijl door de schilder J.K. Homan uit Smilde naar een
ontwerp van L.A. Kortenhorst, tekenleraar te Assen. De binnenmuren zijn tijdens
de restauratie 1923-’25 ontdaan van de witte bepleistering, waardoor het
interieur nogal een sober karakter heeft gekregen. Het collatierecht van de kerk
behoorde aan de eigenaar van Batinge. Nog in 1915 is door de erfgename ervan
Ds. De Boer tot predikant benoemd.
|
 |
|
|
|
 |
|
|
- Smit, R. ‘Fragmenten uit de geschiedenis van Dwingelo’, 1982
- Leeuw, E. de. De Sint Maartenskapel en de datering van de Sint Nicolaaskerk, ‘Dwingels Eigen’, 2002-nr. 2. |
|
 |
|
| |
|
|
|
Het witbepleisterde schultehuis aan de oostzijde van de brink is gebouwd
omstreeks 1680 door schulte Jan Coerts Prins. Het ambt van schulte heeft
bestaan tot 1812 en bestond uit de functies die we tegenwoordig omschrijven als:
burgemeester, notaris en officier van politie. De bewoners van de Drentse dorpen
konden bij hem terecht voor onder andere het laten verzegelen en
registreren van verkopingen van onroerend goed.
Het interieur van het
schultehuis bevat nog elementen uit de bouwtijd, waaronder de hal in
barokstijl en de bedstedewand in de woonkamer. De topgevel aan de zuidzijde is
typisch zeventiende eeuws. De familie Prins heeft in Dwingeloo tot 1811 het
schultambt uitgeoefend. Na de dood in 1879 van Jantje de Jonge, weduwe van
Cornelis Prins verkochten de erfgenamen het huis aan Pieter Bloemerts.
In 1917 kwam het schultehuis in handen van joodse manufacturiers, die in de
rechterzijde van de voorgevel grote etalageramen plaatsten.
Na de Tweede Wereldoorlog was het pand door de familie
Hummel in gebruik als woning en groentewinkel. Tegenwoordig is in het markante
gebouw een dierenartspraktijk gevestigd.
|
|
|
|
 |
|
|
- Leeuw, E. de. Het Schultehuis, ‘Dwingels Eigen’, 2000-nr. 1.
|
|
 |
|
| |
|
|
|
Aan de noordzijde van de Sint Nicolaaskerk staat, langs de Entingeweg, een
complex van vier woningen onder één dak uit de zeventiende eeuw. Een vijfde
woning is in 1932 afgebroken en vervangen voor een afzonderlijk pand
(Entingeweg 7). In de volksmond staan de woningen bekend onder de naam
‘Franse Huizen’. De huizen werden in opdracht van Elbert Anthony van Pallandt,
heer van Batinge, omstreeks 1689 gebouwd voor een aantal Hugenoten die na het
opheffen van het Edict van Nantes Frankrijk waren ontvlucht.
Van de ongeveer 50
vluchtelingen kwamen er 5 gezinnen in de appartementen wonen. Enkele kregen
onderdak op de havezate Batinge en de rest werd opgevangen door de plaatselijke
bevolking. De godsdienstoefeningen vonden plaats in de grote zaal van Batinge,
die voor deze gelegenheid werd voorzien van banken en een preekstoel.
In totaal hebben drie Waalse predikanten in Dwingeloo gepredikt. Tot 1932 bleven
de Franse Huizen in eigendom van de erfgename van Batinge.
De verschillende nieuwe eigenaren verbouwden de woningen nadien, waardoor het
oorspronkelijke karakter voor een gedeelte verloren is gegaan.
|
|
|
|
 |
|
|
- Smit, R. ‘Hugenoten in Dwingelo’, 1986.
|
|
 |
|
| |
|
|
|
De vroegste vermelding van het huis Batinge dateert van halverwege de 14e eeuw;
toen het in het bezit was van het geslacht Van Ansen. Het goed kwam daarna in
eigendom van de familie Van den Goer, later genaamd De Vos van Steenwijk.
Dwingeloo is dan ook de stamplaats van dit bekende Nederlandse adellijke geslacht.
Tot omstreek 1430 woonde de familie op de Hof van Dwingeloo. Dit was het centrum
van een groot landbouwbedrijf, waar horigen van de eraan verbonden boerderijen
als Batinge, Entinge, Smedinge en de Oosterhof hun landbouwopbrengsten moesten
inleveren. Wegens de verdedigbare ligging van Batinge, het lag op een zandheuvel
in het beekdal van de Dwingeler stroom, verhuisde de familie De Vos naar deze
plek.
In 1509 werd Georg Schenck, baron van Tautenburg, eigenaar. Hij kocht toen
het goed terug voor de voormalige eigenaresse; zijn vrouw Anna de Vos van
Steenwijk. Schenck veranderde de middeleeuwse hofstede tot een verdedigbaar
fort door het te omgeven met wallen en een slotgracht. Dat dit nodig was bleek
wel door een aanval van Gelderse troepen in 1527. Als wraak plunderden zij
Batinge met zijn bijhuizen en staken het in brand. Georg Schenk had namelijk in
de jaren ervoor als legeraanvoerder van Karel V van Spanje tegen de hertog van
Gelre gevochten. Georg had vele openbare functies in het noorden van Nederland;
zo was hij drost van Vollenhove (1502), stadhouder van Friesland (1521),
Groningen (1536) en van Drenthe (1536) en drost van Drenthe (1536). Als beloning
voor zijn goede trouw verhief Karel V in 1532 hem tot Ridder in de Orde van het
Gulden Vlies. Georg Schenck huwde voor de tweede maal met gravin Johanna van
Egmond in 1526. Zijn zoons Karel en Frederik volgden hem op als heer van Batinge
in 1540 en in 1571. Na de dood van Frederik, aartsbisschop van Utrecht, in 1580
kwam er onenigheid over zijn nalatenschap wat behalve Batinge bestond uit de
heerlijkheid Windischeschenbach in Beieren, het kasteel de Toutenburg bij
Vollenhove, goederen in Friesland en renten in Egmond en Beijerland. Batinge
werd onder andere toegewezen aan Joachim van den Boetzelaer, maar zijn neef
Johan van den Clooster nam het huis met gewapende hand in. Pas in 1601 werden
zijn zonen door stadhouder graaf Willem van Nassau verdreven. Joachim’s zoon
Rutger is één van de bekendste eigenaren van Batinge. Hij liet rond 1650 Batinge
verbouwen tot een huis van aanzien. Ook de tuinen vergat hij niet; het door hem
aangelegde grachten- en lanen stelsel is tegenwoordig nog in het landschap te
bewonderen. Rutger is niet de geschiedenis ingegaan als de meest sympathieke
eigenaar van Batinge. Zijn functie ‘drost van Drenthe’ buitte hij schaamteloos
uit. De volgende verbouwperiode kwam in 1685 met de nieuwe eigenaar Elbert
Anthonie van Pallandt, drost van Drenthe van 1685 tot zijn dood in 1701. Van
Pallandt vergrootte de havezate tot een paleisje van ‘on-Drentse’ allure.
|
|
|

|
Achterzijde van Batinge in 1732 |
|
|
Het kon vergelijkingen met de beroemde landhuizen in het midden en westen van
Nederland weerstaan. Ook de tuinen werden niet vergeten. Het eindresultaat is
te bewonderen op een vogelvluchttekening. De tuinen zijn aangelegd volgens de
toen heersende mode; een symmetrisch complex van - door wandel paden gescheiden
– vierkante tuinvakken, waarbij een centrale as het geheel in tweeën deelt.
Van het interieur is iets bekend door een reisverslag uit 1705. Er wordt dan
gesproken over een ‘deftich gemeubelt huis’ met een ‘ ter rechterhant het grote
sael, behangen met uiterst kostelijke turcks tapijten, kostende 15.000 groten’.
Ook de slaapkamer van de vrouw des huizes wordt getoond ‘met een deftich
silveren servies op het cabinet, een silveren watervat in de schoorsteen
staende en een overdeftich ledikant’. In de achttiende en vroege negentiende
eeuw behoorde Batinge toe aan de familie Van Heeckeren. Zij resideerden
voornamelijk op het huis Nettelhorst bij Lochem, Batinge werd daarom vaak
verhuurd. In 1830 verkochten zij het landgoed Batinge aan Aalt Willem van
Holthe, heer van de Oldengaerde en Rheebruggen. Hij was voornamelijk
geïnteresseerd in de bijbehorende gronden en rechten (het collatierecht) van
Batinge. Twee jaar later brak hij het eens zo illustere huis af. Een gedeelte
van één van de bouwhuizen werd verbouwd tot boerderij en de tuinen kwamen in
gebruik als weiland. Tot 1994 hebben hier nazaten van de al in de achttiende
eeuw op Batinge wonende hoveniersfamilie Eggink het boerenbedrijf uitgeoefend.
Tegenwoordig herinneren de boerderij en het grachten- en lanenstelsel nog aan
de glorie van de voormalige havezate. In de grond bevinden zich nog de
fundamenten. Al is het collatierecht in 1922 afgeschaft, een plicht berust
sinds 1633 nog steeds op de huisplaats van Batinge. De eigenaar moet namelijk
jaarlijks op Sint Anthoniusdag (17 januari) 15 gulden (ongeveer 7 euro)
overhandigen aan het Sint Anthoniusgilde. Dit broederschap van 12 heren uit
de – voormalige – gemeente Dwingeloo zorgt sinds enkele eeuwen voor de lokale
arme bevolking die geen bedeling ontvangen van de diaconie. Heden ten dage
worden ook maatschappelijke projecten voorzien van enige subsidies.
|
|
|
|
 |
|
|
- Bos, J. ‘Huizen van Stand’. 1989.
- Leeuw, E. de. De Sint Maartenskapelen de datering
van de Sint Nicolaaskerk, ‘Dwingels Eigen’. 2002-nr. 2. |
|
 |
|
| |
|
|
|
Honderd meter ten oosten van Batinge ligt de huisplaats van de havezate Entinge.
Tot circa 1457 loopt de geschiedenis van de Entinge synchroon met die van
Batinge. Na een boedelscheiding in dat jaar werden beide goederen verdeeld,
waardoor Entinge toeviel aan Roelof de Vos van Steenwijk. Zijn kleindochter
Rudolpha huwde in 1513 met de uit Westfalen afkomstige edelman Borchart van
Westerholt, waardoor Entinge aan dit geslacht kwam. Borchart werd door de
bisschop van Utrecht als opvolger van zijn buurman Georg Schenck van Tautenburg
tot drost van Vollenhove benoemd. Beide heren hebben te Dwingeloo enkele
geschillen met elkaar bevochten, zoals over het collatierecht van de Sint
Nicolaaskerk. Het collatierecht van het Sint Maartensvicarie en de bijbehorende
kapel in de kerk behoorde echter wel alleen tot de eigenaar van Entinge.
De bediening van dit altaar gebeurde door een kapelaan. De familie Van Westholt
heeft tot 1640 Entinge in eigendom gehad; de erfgenamen van Bernard van
Westerholt, keizerlijk generaal-majoor, verkochten het gehele bezit aan
Rutger van den Boetzelaer, heer van Windischeschenbach, Toutenburg en Batinge.
Na zijn dood in 1668 kwam de havezate in handen van Rutger van Lohn.
Hij bewoonde Entinge niet, maar verhuurde het aan de schulte van Dwingeloo,
Jan Coerts Prins. In 1680 verkocht Van Lohn Entinge aan Nicolaas van Echten,
waardoor schulte Prins moest omkijken naar een nieuwe behuizing
(zie: Schultehuis).
Van Echten liet Entinge na aan Nicolaas Harmen van Echten,
genaamd van Dongen. Hij verkocht op zijn beurt het goed aan Elbert Anthony
Gerard van Heeckeren, heer van Batinge in 1725. Van 1735 tot ca. 1740 werd
de havezate bewoond door diens weduwe. Een jaar later werd Entinge afgebroken.
De huisplaats en het bijbehorende bezit, waaronder de kapel in de Sint
Nicolaaskerk, kreeg tussen 1777 en 1781 een nieuwe eigenaar in de persoon van
Isaac van Dongen tot de Oldengaerde. Enkele decennia later is de heer van
Batinge weer eigenaar van de huisplaats, echter niet van de kapel; deze wordt
in 1808 samen met het landgoed Oldengaerde verkocht aan jonkheer Aalt Willem
van Holthe. Ruim twintig jaar later worden beide bezittingen weer verenigd als
Van Holthe het landgoed Batinge koopt. Eén van de inbegrepen percelen is de
huisplaats van Entinge. Tegenwoordig zijn de huisplaats en de kapel – met het
daarin staande herengestoelte – in eigendom van de nazaten van A.W. van Holthe.
De fundamenten van de havezate bevinden zich nog in de grond.
|
|
|
|
 |
|
|
- Bos, J. ‘Huizen van Stand’. 1989
- Leeuw, E. de. De Sint Maartenskapel
en de datering van de Sint Nicolaaskerk, ‘Dwingels Eigen’. 2002-nr. 2.
|
|
 |
|
| |
|
|
|
De geschiedenis van de Oldengaerde gaat terug naar 1420, toen Reynolt van
Echten zich vestigde op zijn familiebezit te Dwingeloo. Hij liet er vermoedelijk
een rechthoekig huis bouwen, aan drie kanten omringd door een gracht. De familie
van Echten heeft in het Drentse bestuur een voorname rol gespeeld. In de zestiende eeuw waren
zij vooral ette voor het Dieverderdingspil waarvan het schultambt Dwingeloo deel uit maakte.
Nicolaas van Echten werd vanwege Oldengaerde in 1598 toegelaten tot de Ridderschap van Drenthe.
Op 17 november 1600 behoorde hij tot de eerste twee uit de Ridderschap gekozen leden van het pas
opgerichte College van Gedeputeerden, het dagelijkse bestuur van de provincie.
Zijn broer Reinolt erfde Oldengaerde in 1613. Hij was getrouwd met Anna van Welvelde en had drie kinderen;
de oudste diende zoon Reinold diende onder de gardes van koning van Frankrijk, zijn dochter Anna huwde Rutger
van den Boetzelaer, heer van Batinge. De jongste, Johan, erfde het landgoed Oldengaerde. Bij zijn vrouw,
Ida van Voorst, had hij een zoon en twee dochters, van wie Anna Elisabeth in 1658 huwde met luitenant Cornelis
van Dongen.
In 1660 droeg het gehele bezit over aan deze schoonzoon. De familie van Dongen heeft nadien
eveneens een groot aandeel geleverd aan het Drentse bestuur. De Oldengaerde kwam in 1713 in handen van zijn
tweede zoon Cornelis jr. Hij was één van de belangrijkste inwoners van Oldengaerde en degene die het meest
zijn stempel op het huis heeft gedrukt. In de voorgevel van Oldengaerde bevinden zich twee stenen, waarop
‘Anno’ en ‘1717’ staat, hetgeen slaat op een grootscheepse verbouwing die Cornelis van Dongen in dat jaar
liet uitvoeren en waarbij het huis zijn huidige vorm kreeg. Tegen het huis werd een imposante gevel geplaatst,
uitgevoerd in de zogenaamde Vingboonsstijl, die in de zeventiende eeuw onder andere veel werd toegepast bij
Amsterdams grachtenhuizen. Een zestal pilasters verdeelt de gevel in zes traveeën, onderling gescheiden door
een stuk muurwerk, elk versiert met een zandstenen festoen. De tuinen werden veranderd naar de laatste mode
uit Frankrijk van het aanleggen van tuinen, waarbij de symmetrie een onmisbaar element is. De opbouw van de
tuin voor én achter het huis laten een sterke verwantschap zien met de tuinen van het paleis te Versailles,
de residentie van de Franse koningen. Hierbij zijn de langgerekte tuinvakken het belangrijkste kenmerk (vgl.
de Nederlands stijl met zijn vierkante vakken op Batinge). De centrale middenas gaf de toeschouwer vanuit
het huis een vergezicht naar de horizon, waarbij de erop gelegen langwerpige vijver de dieptewerking versterkte.
Deze vijver is ongetwijfeld ook geïnspireerd op het ‘Grand Canal’ van Versailles. Het lanen- en grachtenstelsel
rond Oldengaerde is sindsdien nauwelijks meer veranderd. De Van Dongens hebben in de achttiende eeuw veel
Drentse havezaten in bezit gehad, waaronder Westrup te Dwingeloo. Hierheen verhuisde de familie, nadat zij in
1781 Oldengaerde wegens hoge schulden moesten verkopen.
Na enige verschillende eigenaren werd in 1808 jonkheer
Aalt Willem van Holthe bezitter. In een aankondiging van de publieke veiling van Oldengaerde, gehouden op 14
juni van dat jaar, lezen we dat het huis dertien à veertien ‘proper behangen’ kamers en kabinetten telde, een
grote keuken, kelders ‘en verdere offices’, twee grote schuren waarin stallingen voor paarden en vee, een
koetshuis, een washuis, knechtenkamer en een hovenierswoning. Aalt Willem van Holthe trouwde in 1807 met barones
Geertruid Agnes van Dedem. Als snel vervulde hij bestuurlijk ambten in Drenthe, zo was hij van 1812 tot 1852
burgemeester van Dwingeloo. Van Holthe was er tevens de belangrijkste huiseigenaar en grootgrondbezitter: hij
was eigenaar van veertien huizen in het dorp, waaronder de Franse huizen, en van ongeveer 280 hectare land.
Behalve Oldengaerde bezat hij ook nog twee andere havezaten: Rheebruggen, wat hij erfde van zijn moeder, en
in 1830 kocht hij Batinge met alle onderhorige goederen waaronder de huisplaats van de in 1741 afgebroken
havezate Entinge. Oldengaerde, en ook Entinge, is na de dood van Aalt Willem van Holthe niet meer door koop
overgegaan naar een andere eigenaar, alleen door vererving. Zo was zijn achterkleinzoon Johannes Govert Westra
van Holthe vanaf 1916 eigenaar van Oldengaerde. In 1924 werd hij benoemd tot burgemeester van Dwingeloo.
De havezate en omringende landen zijn na enige toewijzingen thans in onverdeeld eigendom van vier dochters
van wijlen mevrouw I.E.C. Willinge-Westra van Holthe. Het huis en de tuinen zijn in 2004 in het geheel
aangewezen tot Rijksmonument.
|
|
|
|
 |
|
|
- Bos, J. ‘Huizen van Stand’. 1989.
|
|
 |
|
| |
|
|
|
Schuin tegenover de Franse huizen, aan de noordkant van Dwingeloo, staat de sinds 1740 bekend staande havezate
Westrup. Het recht van havezate gaf de eigenaar toegang tot de Ridderschap van Drenthe. Dit was niet de eerste
keer dat dit huis een bewoner kende dat via het recht van havezate toegang had tot het Drentse bestuur.
Deze bewoner was Reint van den Clooster tot Rheebruggen die vanwege dit familiegoed bij Ansen in de Ridderschap
werd opgenomen. Hij bezat Rheebruggen echter niet, deze havezate was vererfd in 1596 op de weduwe van zijn broer
en haar kinderen. Reint liet daarom op familiegoed te Dwingeloo een eenvoudig huis bouwen zonder bovenverdieping.
Dat Reint niet in het bezit was van een havezate stoorde Ridderschap en Eigenerfden wel, echter na een onderzoek
in 1617 stonden zij hem toch toe als riddermatige te worden verschreven. Dit gold echter niet voor zijn
nakomelingen. De erfgenamen van zijn zoon Roelof, burgemeester van Harderwijk, verkochten het huis aan eind van
de zeventiende eeuw aan de familie Bloemerts, een Dwingeler geslacht van eigenerfden. Zij deden het in 1722 van
de hand aan oud-majoor Frans Willem de Carpenter die er in 1731 overleed.
Via enige verkopingen kwam het in 1740
in bezit van Cornelis van Dongen tot Oldengaerde die op het huis het recht van havezate van het huis Westdorp
bij Borger liet leggen.Westdorp verbasterde naderhand tot Westrup. Cornelis van Dongen liet Westrup vergroten
tot een herenhuis, maar ook na deze verbouwing telde het huis slecht een benedenverdieping met een zolderetage.
Wel wordt in 1742 vermeld dat ‘de havezate Westerop merkelijk grooter dan bevoorens’ was. Ook de tuinen werden
door van Dongen aangepakt. Een goede inspiratiebron waren de tuinen van Oldengaerde die zijn vader in 1717 in
een grandioze Franse formele stijl had laten aanleggen. Wegens ruimtegebrek kon bij Westrup geen lange zichtas
achter het huis worden aangelegd, zoals dat gebruikelijk was in de zeventiende en achttiende eeuw. Daarom kwam
aan de voorzijde van het huis een zichtas in de vorm van een dubbele opricht met een vrij zicht naar de Brug-es.
Ter weerszijde hiervan kwamen tuinvakken van verschillende afmetingen en met diverse invullingen.
Kort nadat zijn zoon Isaac van Dongen in 1781 Oldengaerde had verkocht ging ook Westrup, zonder recht van
havezate, in de verkoop. De eigenaren werden, voor twee-derde deel, de oud-schulte van Dwingeloo, Jan Prins,
en voor een-derde deel de uit Assen afkomstige advocaat Petrus Hofstede. Jan Prins betrok samen met zijn vrouw
Jantien Bloemerts en zijn zoon Cornelis het huis. Nadat hij overleed in 1788 kwam het Westrup toe aan zijn
oudste zoon Hendricus die zijn vader was opgevolgd als schulte van Dwingeloo. Zijn moeder verhuisde met Cornelis
weer terug naar het schultehuis (zie: Schultehuis). Het jaar erop kocht hij Hofstede deel af. De familie Prins
verhuurde Westrup van 1829 aan de Dwingeler geneesheren J. Crebas en J. Heppener. In 1843 liep het huurcontract
met Heppener af, waarna deze een ander huis in Dwingeloo betrok. Westrup werd verhuurd aan mr. H.H. Sluis die van
1835 tot 1842 notaris te Nijensleek was geweest en van koning Willem I toestemming kreeg zijn notariaat over te
brengen naar Dwingeloo.
De functie van notariaat heeft Westrup sindsdien tot op de dag van vandaag behouden.
De opvolger van notaris Sluis, mr. Wicher Oncko Servatius, kocht in 1864 het huis van J. Prins. De nieuwe
eigenaar verhoogde zowel het aanzien als de waarde van het huis aanzienlijk door er in 1870 een tweede
verdieping op te plaatsen. De tuinen werden in die jaren gemodelleerd naar de stijl van die tijd: een grastapijt
met ronde en niervormige bloemperken en enkele solitaire bomen. De huidige eigenaar, mr. A.H.C. van Drooge heeft
Westrup in 1985 grondig gerestaureerd waarbij de tuinen weer hun achttiende eeuwse uiterlijk hebben herkregen.
|
|
|
|
 |
|
|
- Bos. J. ‘Huizen van Stand’. 1989.
|
|
 |
|
|
|