|
|
 |
|
|
 |
|
|
Geeuwenbrug is gesitueerd ten noordoosten van Dwingeloo aan weerszijden van de Drentse Hoofdvaart
(tot de gemeentelijke herindeling van 1997 deels in de gemeenten Diever en Dwingeloo), doch grotendeels aan de
Dwingeler zijde. Aan de noordoostzijde liggen nog restanten van het Leggerlerveld, een heideveld wat ooit
aansloot op de grote Smilder veengebieden. Geeuwenbrug behoort tot het markegebied van Leggeloo en was daarmee
tot 1812 een onderdeel van de gemeente Diever. In de plaatsnaam spreekt het element ‘brug’ voor zich.
Het element ‘Geeuw’ is een zogenaamde waternaam, dat gegeven werd aan een gedeelte van het riviertje de Lake.
Deze meanderende beek ontsprong uit het ‘Groot Smilder Meer’ en mondde uit in de Dwingeler Stroom ten hoogte
van het Koningsschut (1 km ten zuiden van Dieverbrug). Andere vormen zijn: ‘gouwe’, ‘gou’ en ‘goude’ en het
betekent: naam voor water, speciaal in veengebieden; de Geeuwenbruggenaren wonen ‘an de Gówe’.
|
|
|
De Krommevoord
De oorspronkelijke naam van de plaats is Krommevoord en later Krommevoordschebrug. Hier kruiste in de Middeleeuwen de landroute
Steenwijk-Groningen het beekdal van de Lake over een doorwaadbare plaats, een voorde, in een bocht van het
riviertje. Vanaf het begin van de 17e eeuw diende de Lake voor de afvoer van turf door middel van eenvoudige
schepen. Tevens diende hij voor de ontwatering van het veengebied. In verband met de onregelmatige waterstand
en de grillige loop, voldeed de Lake niet aan de eisen van een goed bevaarbaar afvoerkanaal voor de turfpramen.
Uit archieven is bekend, dat turfschippers het wel eens met elkaar aan de stok kregen, wanneer hun scheepjes
in de bocht beknelt raakten. De beek werd daarom gekanaliseerd en een brug kwam in de plaats van de voorde,
vandaar de tweede naam.
|
|
|
 |
|
|
Door deze kanalisatie van de Lake verdween langzaamaan de naam Krommevoordschebrug om
plaats te maken voor de naam Geeuwenbrug, die voor het eerst in 1768 wordt vermeld in de doopboeken van de kerk
van Diever. Gewer Brug (Franse kaart van 1812). Na 1850 ontwikkelde zich bij de brug een lintbebouwing aan de
oostzijde van het kanaal en aan de weg naar Leggeloo. Veel stelde het eerst nog niet voor; her en der stonden
wat plaggenhutten, de bewoners waren arm. De inwoners van het hoofddorp Dwingeloo hadden nauwelijks enig idee wat
zich hier zoal afspeelde. Wanneer de klokken werden geluid ten teken dat er iemand was overleden en de inwoners
geen idee hadden wíe, dan werd wel eens de uitdrukking gebezigd: ’t Zal wel iene uut ’t Leggerlerveld wezen’.
|
|
 |
|
|
|